Oost-Indische kers of Capucien is een plant die oorspronkelijk uit Zuid-Amerika komt. Het wordt Oost-Indisch genoemd omdat men vroeger dacht dat Amerika het oostelijk deel van India was.
De plant werd door Lodewijk XIV geïntroduceerd in Frankrijk als voedselplant. Je kan er zo goed als alles van eten en het bevat veel voedingsstoffen. De smaak lijkt op die van waterkers. De Fransen noemden het dan ook ‘Cresson du Pérou”. De latijnse naam Tropaeolum komt van het Grieks ‘tropaion’ dat trofee betekent. De blaadjes en de bloemen van de Oost-Indische kers lijken immers op de schilden en de helmen die in de oudheid opgehangen werden op de plaats waar de vijand verslagen werd.
De roepnaam Capucien komt van de gelijkenis tussen de bloemen en de kappen van de Kapucijnermonniken.
In de tuin is de Oost-Indische kers een heel goed middel om de zwarte bladluizen aan te trekken en zo weg te houden van andere planten. Ze wordt daarom een vangplant genoemd. Wij gebruiken de plant op die manier in de buurt van de moestuin. Op de foto zie je heel goed de zwarte bladluizen zitten onderaan het blad.
Je kunt de plant ook gebruiken als klimmer. Wij laten ze soms groeien over de composthoop voor het mooie effect. In zo’n voedselrijke omgeving krijgt ze echter veel blad en weinig bloem.
Oost-Indische kers is tenslotte ook de voedselplant voor de rupsen van het koolwitje. Wie zijn kolen wil sparen en toch de witte vlinders wil moet dus zeker deze plant proberen. De plant blijft mooi tot de eerste vorst en dan verdwijnt ze. De zaden die ongeveer een erwt groot zijn zorgen het jaar nadien voor nieuwe planten.