Lijfspreuk

"Tuinieren is de meest therapeutische, ecologische en opstandige daad
die je voor jezelf, je gezin en de maatschappij kan verrichten"
(Filip Muylle - Bliss)

vrijdag 28 februari 2014

Zwarte bessen stekken in de winter


Het groeien en bloeien van planten is pure chemie. Simpel gezegd zorgt een verschillende mix van dezelfde chemische stoffen voor een andere soort plant. Dit mengen start bij de voortplanting. Bloemen worden bevrucht waardoor twee cellen van verschillende individuen samensmelten. Hieruit komen zaden en die zaden ontkiemen uiteindelijk tot planten. Dit is de klassieke geslachtelijke voortplanting.

Daarnaast bestaat er ook de ongeslachtelijke of vegetatieve voorplanting waarbij er eigenlijk een kopie wordt gemaakt van één individu. Dat kopiëren kan op verschillende manieren gebeuren. Voorbeelden zijn het planten van een aardappelknol, een ui of een tulpenbol waaruit later een perfecte kopie komt van de moederplant. Nog later zal die gekopieerde plant op haar beurt zelf weer nieuwe kopieën maken: uit één aardappelknol komt een plant met meerdere aardappelknollen, een geplante ui geeft veel kleine bolletjes, net zoals bij een tulp. Die planten kunnen zich trouwens ook op de geslachtelijke manier voortplanten maar de vegetatieve manier gaat vlotter.

Ook het stekken van planten is een vorm van vegetatieve voortplanting. Hierbij wordt een stuk uit een plant gesneden en wordt gezorgd dat dit stukje plant wortels krijgt. Dat afgesneden stukje kan dan uitgroeien tot een volledige plant. Door de verschillende samenstelling van de chemische stoffen kan de ene plantensoort zich veel gemakkelijker voortplanten via stekken dan de andere soort. Bessenstruiken zijn van die planten die heel gemakkelijk via stekken zijn te vermeerderen.

Als voorbeeld nemen we de Zwarte Bes, ook gekend als de Cassisbes of de Ribes nigrum. De Zwarte bes is een struik die maximaal anderhalve meter groot wordt en die smal blijft omdat de takken alleen verticaal groeien. Ook in kleine tuinen kan je deze bes dus zonder problemen planten. Stekken maken doe je door in december, januari of februari twijgen van gezond eenjarig hout van de Zwarte bes te snoeien. Snij op een vorstvrije dag een takje van ongeveer 40 à 50 cm af uit het eenjarige hout. Eenjarig hout is blinkend bruin, tweejarig hout is mat. Als het kan probeer je best ook niet te stekken op regendagen omdat de kans op schimmelinfectie groter is bij vochtig weer.


Van de stekken snij je de bovenkant af omdat die te zacht is. Zo hou je stekken over van gemiddeld 30 cm. Zet die stekken samen voor één derde in de grond in open lucht waar ze enkele maanden mogen blijven staan om te wortelen. Zo kan je in het voorjaar zien welke stekken de beste scheuten geven en die plant je dan uit op hun definitieve plaats. Zet ze op ongeveer 1 à 1,5 meter van elkaar. Het eerste jaar groeit uit de stekken een struik en pas het tweede seizoen zal je bessen krijgen. Stekken in een pot opkweken is ook mogelijk, zowel in open lucht als in een kas of serre. Bij dat laatste moet je ze wel afharden vóór je ze uitplant. Je moet ze dus langzaam laten wennen aan de buitentemperatuur.



De stekmethode is ook toepasbaar op de Ribes rubrum (rode bes) , sambucus nigra (vlierbes), druif en de Jostabes. Bij blauwe bessen gaat dit ook maar dan enkel onder glas.


woensdag 29 januari 2014

Wilgen planten en wilgen knotten


Wilgen knotten is een aangename wintersport. Dat knotten kan je doen als alle bladeren zijn afgevallen - dus als de sapstroom is stilgevallen, ergens in de herfst. Je kan blijven knotten tot de sapstroom weer opstart. Dat moment herken je aan de knoppen die relatief snel groter beginnen te worden. Dat gebeurt ergens in maart.
Niet iedereen heeft echter die bomen staan in de tuin maar daar kan snel iets aan gedaan worden, zelfs in kleine tuinen. Knotwilgen krijg je simpelweg door een tak van een bestaande boom bij de buren of een kweker in de grond te steken. Eigenlijk kan dat het hele jaar door als de grond vochtig genoeg is. In de zomer is dat soms een probleem. De beste periode is daarom de tijd waarin de wilg geen bladeren meer heeft, namelijk de late herfst en de winter. Zonder bladeren kan hij geen water verliezen via verdamping én in die periode is de grond altijd vochtig.

Hoe maak je nu precies van een tak een boom? Je neemt rechte wilgentakken van 2,7 à 3 meter lang en een arm dik van een gezonde boom. Op de onderste 70 cm maak je lichte beschadigingen in de schors. Dit helpt de wortelgroei. Je plant de wilgenstokken 70 cm diep in een gat dat je het best kan maken met een grondboor zodat de stokken stevig staan. Zijn de takken niet perfect recht – en dat komt heel veel voor – dan kan je ook een put graven. Ik probeer de ene zijde van de put verticaal uit te graven zodat de stok toch minstens één stevige kant aarde heeft. Dan hoef je enkel nog maar de andere kant goed aan te stampen als de put gevuld is.


In het voorjaar verschijnen de eerste scheuten over de hele stamlengte. Laat tijdens het eerste groeijaar enkel de twijgen aan de top staan zodat je een mooie kruin krijgt. Een top is ongeveer een gestrekte handpalm lang. Op het einde van het eerste jaar verminder je het aantal scheuten in de kruin tot acht à twaalf stuks.

Tijdens het tweede, derde en vierde jaar moet je bijna niets doen. Alleen het verwijderen van nieuwe zijscheuten op de stam kan nodig zijn. Takken die afbreken door stormwind snoei je best mooi af om te voorkomen dat er water in de wonde blijft staan.


Op het einde van het vierde jaar ga je de wilg voor de eerste keer helemaal knotten. Dat doe je best in de wintermaanden als de bomen in rust zijn. Het veiligst werk je met een scherpe handzaag. Een kettingzaag is gevaarlijk omdat je de zaag relatief dicht bij je lichaam moet houden door het dichte takkenstelsel van de kruin. Ik klim met een aluminiumladder redelijk hoog in de kruin om de takken in verschillende keren af te zagen. Zo voorkom je dat er in één keer een heel zware last naar beneden valt. Deze werkwijze is ook handig als er afsluitingen in de buurt van de bomen staan. Je vermijdt dan schade aan de omheining.


Om te verhinderen dat je zaag vast komt te zitten maak je eerst een snede in de vorm van een wig aan de valzijde van de tak. Dan zaag je aan de andere richting de tak volledig door. Automatisch valt de tak dan in de richting van de snede. Je kan dit uiteraard ook toepassen als je de takken in één keer afzaagt. De lengte van de stomp die overblijft op de boom moet ongeveer even lang zijn als de diameter van de tak. Vanaf dan herhaalt de cyclus zich en ga je om de vier jaar knotten.



Heb je een kleine tuin of zijn de takken na 4 jaar veel te dik geworden om gemakkelijk te hanteren, dan kan je ook vroeger snoeien. Wij hebben na enkele ervaringen beslist om de wilgen elke twee jaar te knotten. Om toch elk jaar wilgenkatjes te hebben voor de insecten, knotten we het ene jaar de helft van onze bomen en het andere jaar de tweede helft. Zo is tegelijk ook het knotwerk wat gespreid en worden onze spieren wat gespaard.


Zijn knotbomen sowieso te groot voor je tuin, dan kan je ook wilgenstruiken planten. De plantmethode is zoals bij bomen, maar je neemt smallere takken. Het snoeien doe je elke keer tot op de grond. Elk voorjaar komen daaruit nieuwe, smalle scheuten. Wil je wilgenkatjes, dan moet je de struiken twee jaar ongesnoeid laten.


donderdag 19 december 2013

Eikenbladeren strooien bij zuurminnende planten


In december zijn bijna alle bladeren van de bomen gevallen en kan je ze een definitief plekje geven in je ecologische tuin. Bladeren die vergaan vormen langzaam bladaarde die een goede structuur geeft aan tuingrond. Het is dus een bodemverbeteraar die toch weinig voeding bevat. Met een tuinhark breng je de bladeren op een hoop samen en met speciale plastic grijphanden kan je de voorraad snel verplaatsen. Je hebt dan ook geen vervuilende en lawaaierige bladblazer nodig.


Eikenbladeren mag je echter niet zomaar gelijk waar strooien. Ze verteren heel langzaam waardoor het bijvoorbeeld niet is aangewezen om ze op het gazon te laten liggen. Als eikenbladeren verteren komt bovendien hun looizuur (is niet gelijk aan tannine) vrij en maken ze op die manier de grond zuur. Eikenbladeren gooi je dus niet bij planten die kalkminnend zijn zoals rozen, buxus en lavendel. Planten die van nature in zure bosgrond groeien hebben echter wel baat bij een laagje eikenbladeren. Bessenstruiken zoals de blauwe bes en jeneverbes houden van zuur. In de siertuin gooi je het eikenblad dus best bij de heide, rododendron en hortensia. Op zure grond gaan hortensia’s trouwens blauw bloeien wat een mooi neveneffect is.

vrijdag 29 november 2013

Wilde rozen intomen met wortelbegrenzer


Veel mensen houden van gecultiveerde rozen omdat ze prachtig gevulde bloemen hebben. Rozen vind je daarom in bijna elke tuin. Net die meervoudige bloemen vormen echter een probleem in een ecologische tuin. De gekweekte rozen hebben zodanig veel lagen kroonblaadjes boven elkaar dat de nectar van de bloem niet bereikbaar is voor de insecten die dit eten. Een tuin vol bloemen met onbereikbare nectar zal dus veel minder bezocht worden door insecten.
Weinig insecten betekent dan ook weinig bestuiving van de fruitbomen en van de groenten. Zo krijg je weinig opbrengst en dat is net wat je als ecologische moestuinier niet wil. Mocht iedereen enkel meervoudige bloemen kiezen voor de tuin, dan zou dit zelfs ook slecht kunnen zijn voor de bestuiving van de landbouwgewassen.


Een ecologische rozenliefhebber zal om die reden voor wilde rozen kiezen. De bloemen zijn dan misschien minder spectaculair en minder talrijk maar toch nog de moeite waard om van te genieten. Sommige soorten zoals de Egelantier hebben een verfrissende geur. Ook de bottels die gaan rijpen na de bloei hebben een enorme decoratieve waarde. Denk bijvoorbeeld aan de Rosa Rugosa, de Rosa Rubiginosa (of Egelantier), de Rosa Canina. Bovendien eten de vogels graag de vitaminen in de bottels. Wilde rozen hebben dus heel veel voordelen.
Een groot nadeel is echter dat hun wortels vaak gaan woekeren waardoor er na enkele jaren overal in de border en zelfs in het gazon nieuwe scheuten van de wilde rozenplant uit de grond komen.


De wortels van je wilde rozen zijn nochtans goed in te tomen door een wortelbegrenzer in de grond te steken die de wortels tegenhoudt. Dit is een plastic folie waar de wortels niet doorheen kunnen. Wij gebruiken wortelbegrenzer die normaal voor bamboe wordt gebruikt. Die folie is 75 cm hoog om de diepgroeiende bamboewortels te stoppen maar om rozenwortels tegen te houden is die afmeting helemaal niet nodig. Daarom knippen wij de begrenzerfolie in de lengte door zodat we een hoogte bekomen van ongeveer 37 cm. Dat is zeker voldoende voor de wortels van wilde rozen .
De folie is daarnaast ook nuttig voor andere wortelwoekeraars zoals bamboe uiteraard , maar ook gewone rozen, frambozen of andere struiken die je klein wil houden.

Zo ga je te werk om de folie te plaatsen. Graaf een geul of sleuf van een halve meter diep op de plaats waar je de wortels wil tegenhouden. Dat kan een cirkelvorm zijn of gewoon een rechte lijn als je ze slechts in één richting wil tegenhouden. Plaats de folie en zorg dat ze recht blijft staan door eventueel stokjes te plaatsen. Maak de geul weer dicht met de uitgegraven aarde, controleer of de wortelbegrenzer ongeveer waterpas staat en enkele cm boven de grond of 'maaiveld' uitkomt. Stamp de aarde wat aan en haal pas dan de steunstokjes eruit.


Door die begrenzer hoef je niet meer te twijfelen of je wel wilde rozen zou zetten in je tuin. De insecten en de vogels zullen je dankbaar zijn voor de mooie bloemen en de bottels die de rozenplanten geven.




zondag 20 oktober 2013

Look of knoflook planten in de herfst


Planten van knoflook kan van begin oktober tot half november in je ecologische moestuin. Lookbollen met grote tenen zijn het meest geschikt om te planten want ze geven de grootste opbrengst in juli of augustus. Ik koop de lookbollen gewoon in de groentenafdeling van een biowinkel zoals Origin'O, Bioshop, Biovita of Bioplanet. Je kan de lookteentjes gemakkelijk lospeuteren uit de bol als je het buitenste vlies verwijderd hebt.


Plant een lookteen om de 10 cm en stop het ongeveer 7 à 8 cm diep zodat de punt ongeveer 5 cm onder de grond steekt. Wil je meerdere rijen, laat dan 25 cm tussen elke rij. Ik zet altijd een gebogen stuk groene tuindraad boven de geplante looktenen om ze te beschermen tegen de duiven en merels die graag in de kale tuingrond woelen. Vanaf maart kan je ook insectengaas of gaasdoek spannen tegen de uienvlieg die in mei eitjes legt rond de plantjes.
Knoflook houdt van vochtige grond om goed wortel te schieten. De grond mag echter niet bemest zijn. Anders krijg je veel blad en weinig bollen. De plaats waar de look staat moet zoveel mogelijk zon krijgen. Dit is heel belangrijk omdat er enkel met veel zon een goede rijping is van de lookbol.


Na enkele weken komen de eerste scheuten al boven de grond. Look gaat dus de winter in met jong loof. Tijdens die periode groeit de look bijna niet en toch is die koude periode nodig voor een goede opbrengst in de volgende zomer. Je kan ook knoflooklook in het voorjaar planten rond maart en dan steek je de teentjes slechts 3 cm diep zodat de punt net niet boven de grond uitsteekt. Planten in het voorjaar geeft echter een iets mindere opbrengst.
Look wil vochtige grond om te wortelen, maar té natte grond is dan weer heel slecht. Aangezien in de herfst geplant wordt kan dit een probleem geven door de vele regenval. 2013 is daar een mooi voorbeeld van. Meer recent was de winter van 2021 nog eens een natter in vergelijking met de warme, droge "klimaatveranderingswinters" van de afgelopen jaren. Je kan het teveel aan water oplossen door kleine greppels te graven rond je knoflookperk. Voor de rest is het enige werk tijdens het groeiseizoen het opkomend onkruid met de hand weghalen. Doe je dit regelmatig gedurende vijf minuten, dan houdt dit werkje niets in. Het is zelfs ontspannend na een stresserende dag op het werk.


Het leuke aan zelfgekweekte look is ook dat je het hele jaar van de oogst kan genieten. In de herfst en winter heb je het meest nood aan hartige gerechten en in die periode komt look als smaakmaker ten volle tot zijn recht. Bovendien is knoflook enorm gezond. De voorwaarde is wel dat je de lookbollen direct na de oogst goed hebt laten drogen. Dat doe je door ze in open lucht onder een afdakje te laten drogen bij zonnig weer. Niet twijfelen dus om als beginnend moestuinier look te planten.

zaterdag 28 september 2013

Pruimen telen en oogsten


In tegenstelling tot appels en peren is het heel moeilijk om goede, biologische pruimen te vinden in de winkels. Ze zijn namelijk te teer om in grote massa’s verhandeld te worden. Wie zelf tuiniert kan wél de voorzichtigheid en het geduld opbrengen om de pruimen met respect te behandelen. Daarom mag een pruimelaar niet ontbreken in een ecologische tuin.

Kies eerst een pruimensoort op basis van je eigen smaak en de gewenste pluktijd. Er bestaan soorten die begin juli kunnen geoogst worden, andere soorten pas begin oktober. De website van Bongerd Groote Veen over historische fruitrassen is een aanrader om je te helpen kiezen. Als je maar plaats hebt voor één boom, dan kies je voor een zelfbestuivend ras. Plant je boom liefst in de herfst want dan vormt de boom nog haarworteltjes vóór de koude winter. In het voorjaar zal hij daardoor sneller groeien. Pas na een paar jaar komen er voor het eerst bloemen en vruchten aan je pruimenboom.


Na de bloei en de bevruchting door insecten vormen zich langzaam groene pruimpjes. Rond half mei moet je beginnen met alle vruchtjes af te knippen waar een bruin plekje zit aan de onderkant tegenover het steeltje. In die vruchtjes zitten namelijk rupsjes, die later ook aan andere pruimen zullen vreten. Dat vroegtijdig plukken noemt men ‘uitdunnen’. Het lijkt altijd zonde om perfecte vruchtjes van de boom te halen omdat je dan denkt dat je oogst veel kleiner zal zijn maar het is net omgekeerd. Guy De Kinder van het boek ‘Groente & Fruitencyclopedie’ gaf ons hierover nuttige informatie. Na het eerste dunnen kijk je of je uitkomt op een gemiddelde van twee pruimen per 10 cm tak. Is dit nog niet zo dan verwijder je eerst de pruimen die er slecht uitzien met een schaar. Knip ze af met het steeltje erbij. Daarna kijk je of er tussen elke pruim voldoende ruimte is. Waar je ziet dat dit niet zo is zal je dus ook enkele goede pruimen moeten verwijderen. Je hoop afgeknipte pruimen ziet er dan al heel groot uit. Geen paniek. Het is normaal dat je zoveel pruimen moet weggooien na het dunnen. De overblijvende pruimen hebben dan pas voldoende ruimte om te groeien. Met deze ingreep worden deze pruimen die door sommigen varkenspruimen genoemd worden de koninginnenpruimen waar ze hun naam aan te danken hebben: groot, zoet met een losse pit en niet de minste insectenbeschadiging.



Het oogsten van pruimen moet voorzichtig gebeuren. Ook de rijpe pruimen snij je boven het steeltje met een tuinschaartje af. Gebruik oude eierdoosjes om je geoogste pruimen te bewaren. Pruimen zijn even groot als een kippenei en passen perfect in de doosjes. Op die manier hoef je de tere pruimen niet op elkaar te leggen waardoor ze ook niet gekneusd raken. Bovendien heb je zo een mooi overzicht over de rijpheid van elke pruim. Ook als er eentje rot wordt, merk je dat meteen op en kan je ze snel verwijderen. Zo verhinder je dat die rotte pruim de hele oogst aantast. In de koelkast kan je de pruimen enkele weken bewaren. In die periode geniet je van je verse pruimen en de rest verwerk je tot lekkere jam, cake, taart, …


donderdag 22 augustus 2013

Verleng de zomer

Hoe je het draait of keert, in augustus voel je al dat de zomer niet zal blijven duren want de dagen worden merkbaar korter. De bloemen bloeien nu het uitbundigst en dat zou je nog maanden zo willen houden.

Het goede nieuws is dat je die bloeiperiode echt kan verlengen door de uitgebloeide bloemen af te knippen. Zo stimuleer je de groei van nieuwe scheuten met nieuwe bloemknoppen. De bloemen zullen dan wel wat kleiner zijn dan bij de eerste bloei maar ze zullen er wel nog altijd even zomers uitzien.


Bloemen van stevige, opstaande planten knip je af bij de bloemstengel. Het Engelse begrip hiervoor is 'deadheading' of 'deadheaden' als je het vernederlandst.
Hét zomervoorbeeld is de Vlinderstruik of Buddleja. Bloemen snoeien zorgt dus dat je in de nazomer nog aantrekkelijke bloemen krijgt voor de vlinder.


 

Planten die uiteenvallen of zich door andere planten weven, mag je veel lager insnoeien net zoals je een haag zou snoeien. Dergelijke planten zullen nog stevig teruggroeien en heel vaak nog een mooie herbloei geven in de nazomer. Door ze in te snoeien zorg je trouwens dat de omringende planten meer ruimte en licht krijgen. De Geranium of Ooievaarsbek is zo’n typische plant die serieus mag ingesnoeid worden na de bloei.